top of page

Hoge Raad vernietigt hoog Vpb‑belastingrentepercentage: 8% is onverbindend

  • mr3725
  • 19 jan
  • 2 minuten om te lezen

Op 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59) heeft de Hoge Raad een baanbrekend arrest gewezen over de belastingrente in de vennootschapsbelasting (Vpb). In dit arrest verklaart de Hoge Raad het sinds 1 januari 2022 geldende hoge rentepercentage van minimaal 8% voor de Vpb onverbindend, omdat dit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.


Achtergrond van de zaak

De belanghebbende had in 2023 een voorlopige aanslag Vpb 2021 ontvangen, waarbij ruim € 90.000 aan belastingrente in rekening werd gebracht op basis van het destijds geldende minimumpercentage van 8%. Deze regeling volgt uit het Besluit belasting- en invorderingsrente, dat voor de Vpb een hoger rentepercentage voorschreef dan voor andere belastingmiddelen (bijvoorbeeld de inkomstenbelasting, waarvoor 4% gold).


De rechtbank Noord-Nederland stelde de belastingplichtige in 2024 al in het gelijk; de Staatssecretaris ging daarop in cassatie.


Oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad maakt korte metten met het onderscheid tussen Vpb-plichtigen en andere belastingplichtigen:


  • Vpb-plichtigen en IB-plichtigen zijn voor de belastingrente vergelijkbare gevallen, maar worden toch ongelijk behandeld.

  • Voor dit onderscheid ontbreekt een redelijke rechtvaardiging.

  • De aansluiting bij de wettelijke rente voor handelstransacties houdt geen stand: een (nog niet geformaliseerde) belastingschuld is géén handelsvordering.

  • Ook het argument dat belastingplichtigen de rente “kunnen voorkomen” door tijdige aangifte of een voorlopige aanslag, biedt geen soelaas. Een vermijdbare lastenverzwaring mag niet onevenredig zijn.

Daarom concludeert de Hoge Raad dat het hogere rentetarief voor de Vpb onevenredig zwaar drukt op één specifieke groep belastingplichtigen, zonder legitieme rechtvaardiging. Dat leidt tot strijd met zowel het evenredigheidsbeginsel als het gelijkheidsbeginsel.


Gevolg: rente terug naar 4%

Het gevolg is helder:

De bepaling die het Vpb-minimumrentepercentage van 8% voorschrijft is onverbindend en moet buiten toepassing blijven. De belastingrente moet worden berekend naar het algemene percentage van 4%, gelijk aan de andere belastingmiddelen.


Wat betekent dit voor Vpb‑plichtige entiteiten?

Dit arrest heeft verstrekkende gevolgen voor lopende én toekomstige aanslagen Vpb. Het is duidelijk dat het kabinet bij de vaststelling van de belastingrenteregeling opnieuw naar de evenredigheid en gelijkheid moet kijken. Voor belastingplichtigen kan dit arrest bovendien aanleiding geven om lopende bezwaarprocedures te heroverwegen of om ambtshalve verminderingen te verzoeken.


Meer weten? Neem contact op met Jeroen Klerkx via jeroen@lexfiscalisten.nl, of Jessy Dictus via jd@lexfiscalisten.nl.


Recente blogposts

Alles weergeven
Vrijstelling overheidstaken Vpb en (drink)water

De Kennisgroep vennootschapsbelasting heeft zich uitgesproken over de toepassing van de overheidstakenvrijstelling op drinkwaterbedrijven die naast drinkwater ook ander water leveren, zoals proceswate

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page